Er zijn serieuze zorgen over de voedingsindustrie in België die dreigt te verdwijnen. Onder meer de Federatie Voedingsindustrie maakt zich zorgen, zo blijkt uit hun jaarverslag over 2025. Zonder een snel en doordacht beleid dreigt de veerkracht van de grootste industriële sector te breken. Reden voor Lydia Peeters van Anders om vragen in het Vlaams Parlement te stellen aan landbouwminister Brouns.
Als de voedingsindustrie in België terrein verliest of zelfs zou verdwijnen, heeft dat onvermijdelijk zware gevolgen voor de landbouwsector in Vlaanderen, stipt Peeters na het lezen van de rapportage aan. Ongeveer 60 procent van alles wat de Belgische landbouw voortbrengt, wordt rechtstreeks verder verwerkt door de eigen Vlaamse voedingsindustrie.
"De afzetmarkt voor landbouwproducten komt dan onder druk te staan, de prijsvorming verslechtert en de afhankelijkheid van buitenlandse verwerking neemt toe. Vandaag staan landbouwers al onder zware druk door tal van administratieve lasten en dergelijke meer. Een verzwakking van de verwerkende industrie zou die situatie nog versterken." Zorgenpunten zijn loonkosten en energie, maar ook vergunningen.
Brouns reageert als volgt: "De analyse en boodschap van Fevia mag geen verrassing zijn voor de mensen die de voedselketen van nabij opvolgen. We weten al langer dat onze voedingsindustrie, Vlaanderens belangrijkste industriële werkgever, het steeds moeilijker krijgt."
Buitenlandse concurrentie
De minister wijst op buitenlandse concurrentie die toeneemt en stijgende kosten, maar ook op de weerbaarheid van de Vlaamse voedingssector. "Wat de sector zo sterk maakt, is dat hij diep verankerd is in onze lokale economie. Hij werkt nauw samen met de Vlaamse landbouwers, kan rekenen op heel wat kennis en vakmanschap, en staat al jaren bekend om zijn hoge kwaliteits- en veiligheidsstandaarden. Onze bedrijven slagen erin om lokale grondstoffen te verwerken tot producten met een hoge meerwaarde, vaak met oog voor innovatie en duurzaamheid. De combinatie van nabijheid, knowhow en betrouwbaarheid maakt onze voedingsindustrie niet alleen robuust, maar ook competitief, zelfs in moeilijke internationale omstandigheden."
Om de samenhang en weerbaarheid van de keten te versterken, plant Brouns in 2026 nog een oproep voor VLIF-steun (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) voor investeringen voor de duurzame verwerking en afzet van landbouwproducten.
Peeters krijgt bijval van collega's uit het parlement. Ook zij vinden dat er te makkelijk vanuit wordt gegaan dat de agrovoedingscluster wel overeind blijft, ondanks steeds meer buitenlandse concurrentie.
Vlaams chauvinisme
Brouns: "We kennen de zwakste schakel in de keten. We moeten het Vlaamse chauvinisme veel meer durven laten spelen. We moeten blijven opkomen voor de sector en hem alle kansen en steun geven om dat hier te blijven doen, binnen de ecologische grenzen. Dat drukt natuurlijk ook op de competitiviteit en de concurrentiekracht. Laat ons daar ook eerlijk in zijn: vanwege de beperkte ruimte zijn we vaak noodgedwongen strenger in het evenwicht tussen ecologie en economie. Dat is de realiteit. Dat is zo."
De minister hekelt negatieve beeldvorming over de landbouwsector, onder meer over gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. "
Mensen moeten beseffen dat een minimale en een correcte inzet van gewasbeschermingsmiddelen, op het juiste moment, als basis dient. We zouden kunnen zeggen dat ze er allemaal mee moeten stoppen, maar dan produceert men hier geen voedsel meer. Als men vandaag spreekt over koffertjes die we in huis moeten halen voor onze eigen veiligheid, denk ik dat dat begint bij voedsel. Als we weten wat we vandaag importeren van buiten Europa, denk ik dat we elkaar er niet van hoeven te overtuigen welke producten we daar nog in terugvinden. Ook hier spelen het gezond verstand en realiteitszin weer een rol, en dient de gezondheid als kompas. Maar dat gebeurt wel degelijk met een duidelijk kader, met ondersteuning voor de Vlaamse landbouwer en onze eigen voedingsindustrie, om die duurzaam te verankeren, om die een duurzame toekomst te geven, in alle betekenissen van het woord: economisch en ecologisch."
Bron: Vlaams Parlement