De oorlog met Iran onderstreept volgens een sectorbeeld van ABN AMRO opnieuw de kwetsbaarheid van de voedingsmiddelenindustrie voor schommelingen in energie- en brandstofprijzen. Op korte termijn worden bedrijven deels beschermd tegen stijgende gas- en elektriciteitskosten doordat zij prijsrisico's hebben afgedekt via een mix van langlopende energiecontracten.
De belangrijkste directe impact van het conflict zit volgens het rapport in hogere kosten voor wegtransport, containervervoer en luchtvracht. Zelfs bij een relatief snelle beëindiging van het conflict wordt verwacht dat energieprijzen structureel hoog blijven. Dit komt doordat productie- en transportcapaciteit van fossiele brandstoffen beschadigd raakt. Wanneer bestaande energiecontracten later dit jaar aflopen, zal de sector daardoor alsnog worden geconfronteerd met hogere energiekosten.
© CBS
Het absolute energieverbruik in de voedingsmiddelenindustrie is met 5,5 procent afgenomen over de periode 2021-2024
Energieverbruik voedingsmiddelenindustrie beperkt gedaald
De voedingsmiddelenindustrie heeft sinds de energiecrisis van 2022 haar energieverbruik met 5,5 procent teruggebracht. Dat is minder dan het gemiddelde van de Nederlandse economie, waar een daling van 11 procent werd gerealiseerd. Gecorrigeerd voor productiedaling komt de energiebesparing in de sector uit op circa 3 procent. Aardgas blijft met ongeveer 70 procent de belangrijkste energiebron binnen de energiemix.
Binnen de sector is het aardgasverbruik, gecorrigeerd voor productievolumes, met 8 procent gedaald, terwijl het elektriciteitsverbruik met 12 procent is toegenomen. Bedrijven zetten daarbij in op energiebesparing en elektrificatie om het aardgasverbruik verder te verlagen.
Volgens het rapport hebben bedrijven die hebben geïnvesteerd in verduurzaming en elektrificatie een concurrentievoordeel ten opzichte van bedrijven die dat niet hebben gedaan. Enerzijds doordat zij minder energie verbruiken, anderzijds doordat de koppeling tussen gas- en elektriciteitsprijzen in 2026 minder sterk is dan tijdens de energiecrisis van 2022. Dit komt onder meer door investeringen in duurzame energieopwek, energiebesparing en diversificatie van gastoevoer en -opslag via LNG. Elektriciteitsprijzen liggen daardoor relatief lager dan gasprijzen, waardoor geëlektrificeerde bedrijven kunnen profiteren van goedkopere stroom.
Het energieverbruik en de afhankelijkheid van aardgas verschillen per deelsector. Zo heeft de meelindustrie het aardgasverbruik met 24 procent verminderd in de periode 2021–2024, maar blijft deze sector voor 89 procent afhankelijk van aardgas. Slachterijen kennen een lagere afhankelijkheid van 42 procent en realiseerden een reductie van 9 procent in aardgasverbruik.
Verduurzaming stokt
Ondanks deze ontwikkelingen concludeert het rapport dat de verduurzaming in de sector stokt. De voedingsmiddelenindustrie blijft sterk afhankelijk van fossiele energie, met name voor stoom- en warmteproductie in productie- en reinigingsprocessen. Aardgas wordt vooral gebruikt voor warmteopwekking, waarbij stoom op hogere temperaturen nodig is dan de uiteindelijke proceswarmte.
© CBS
Afhankelijkheid van aardgas neemt af, maar blijft dominante energiebron
Processen boven de 100 graden, zoals pasteuriseren, verdampen en drogen, zijn technisch lastig volledig te elektrificeren. Waterstof wordt technisch gezien als alternatief genoemd, maar is volgens het rapport economisch niet rendabel.
Voor lage-temperatuurprocessen kunnen geothermie en restwarmte een alternatief vormen, maar de beschikbaarheid daarvan is beperkt en locatieafhankelijk. Elektrificatie via e-boilers of warmtepompen vraagt bovendien grote hoeveelheden elektriciteit, terwijl netcongestie een belangrijke belemmering vormt voor uitbreiding van aansluitcapaciteit.
Ook de investeringsstructuur in de sector vormt een drempel. Bedrijven investeren gemiddeld eens in de 10 tot 20 jaar in nieuwe installaties. Duurzame technologieën hebben vaak een langere terugverdientijd dan conventionele aardgasinstallaties, mede doordat bestaande gasinfrastructuur al aanwezig is en alternatieven duurder of technisch minder robuust zijn.
Investeringen vragen langere looptijd contracten
Daarbij speelt mee dat afzetzekerheid vaak beperkt is. Volgens het rapport zijn afzetcontracten in de sector meestal slechts één tot twee jaar geldig, terwijl voor duurzame investeringen juist lange termijnzekerheid nodig is om financiering mogelijk te maken. Hierdoor blijft de sector, ondanks potentiële kostenbesparingen en emissiereducties op de lange termijn, voorlopig grotendeels afhankelijk van de volatiliteit van de aardgasmarkt.
Bekijk hier het volledige rapport
Bron: ABN AMRO