Salmonella en E. coli O157:H7 bacteriën kunnen overleven op sla

Onderzoekster Inge van der Linden stelt in haar promotieonderzoek vast dat Salmonella en E. coli O157:H7 zowel kunnen overleven op slazaden, in irrigatiewater van kassen als op kropsla uit de Belgische kasteelt. Maar via genetisch onderzoek bewijst Van der Linden ook dat de bacteriën met name te vinden zijn in het binnenste kropgedeelte van de sla, omdat de omstandigheden daar vrij vochtig en constant zijn. Het grootste risico op een voedselinfectie doet zich daarom voor als slaplanten kort voor de oogst besmet worden. Op 9 oktober hoopt Van der Linden te promoveren aan de Universiteit Gent.

De laatste jaren is een toename vastgesteld in het aantal voedselinfecties na het consumeren van groenten en fruit. In vele gevallen was dat te wijten aan Salmonella en E. coli O157:H7, twee ziekteverwekkende bacteriën die voornamelijk met dierlijke producten zoals vlees eieren en zuivel worden geassocieerd. Hoewel de meeste meldingen afkomstig zijn van de Verenigde Staten, is ook Europa niet vrij van incidenten. De 'EHEC crisis' in Frankrijk en Duitsland in 2011 had bijvoorbeeld te maken met kiemgroenten die besmet raakten met E. coli O104:H4, een tot dan toe minder gekende ziekteverwekkende verwant van E. coli O157:H7. In België is kropsla een economisch belangrijke groente, maar tot nu toe was weinig bekend over mogelijke besmetting met Salmonella en E. coli O157:H7.

Ziekteverwekker kan lang overleven

Inge Van der Linden heeft in een eerste stap in kaart gebracht welke factoren de besmetting in de hand kunnen werken tijdens de teelt in de kas. Dat deed ze door zaden, irrigatiewater en groeiende slaplanten kunstmatig en gecontroleerd te besmetten. De resultaten van de proeven bevestigden dat zowel zaden als irrigatiewater een mogelijke bron van besmetting kunnen vormen. Een belangrijk bevinding was dat de ziekteverwekkers langer dan 2 jaar kunnen overleven op slazaad en bovendien in aantal toenemen wanneer deze zaden kiemen. Bij besmetting via irrigatiewater werd aangetoond dat de overleving van de ziekteverwekkers sterk afhankelijk was van verschillen in waterkwaliteit tussen de verschillende kassen.

Bacterie overleeft met name goed in de krop

In het tweede deel van het onderzoek werd de overleving van de bacteriën op de slaplant bestudeerd. De bacteriën werden op de bladeren van slaplanten aangebracht en vervolgens werd hun overleving onderzocht op verschillende bladeren van de slakrop, en op zowel jonge als bijna oogstrijpe slaplanten. De overleving en de groei van de bacteriën op de slabladeren was zeer variabel, en was afhankelijk van het groeistadium van de plant en vooral van de omgevingscondities, in het bijzonder de vochtigheid. De bacteriën bleken vooral goed te overleven binnenin de krop, waar het relatief vochtig is. Veranderingen in condities verminderden de overleving: in een laboratoriumtest met een constante hoge luchtvochtigheid overleefden de bacteriën op de sla, terwijl dat al veel minder het geval was onder kascondities waar meer schommelingen optreden.

Expressie van ziekteverwekkende genen neemt af

In de derde fase van het onderzoek bestudeerde Van der Linden de genetische mechanismen die de bacteriën gebruiken om te overleven op sla. Genexpressie-experimenten brachten aan het licht dat E. coli O157:H7 zich op de plant in een gestresseerde toestand bevindt, en dat er een afname was in de expressie van verschillende genen die het ziekteverwekkend vermogen regelen, waaronder de genen voor de Shiga-toxines. Dat zijn de stoffen die symptomen zoals nierfalen en bloederige diarree kunnen veroorzaken in een vergevorderd stadium van voedselinfectie.


Bron: ILVO

Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven