De Europese Commissie werkt aan een herziening van de richtlijn tegen oneerlijke handelspraktijken in de voedselketen (UTP-richtlijn). In dat kader organiseerde landbouwcommissaris Christophe Hansen afgelopen 6 maart een Implementation Dialogue met vertegenwoordigers uit verschillende lidstaten. Namens LTO en POV nam Hendrik Jan ten Cate, vakgroepbestuurder Akkerbouw, deel aan het gesprek.
Tijdens de bijeenkomst bracht LTO verschillende knelpunten onder de aandacht die akkerbouwers in de praktijk ervaren. Hoewel de richtlijn een belangrijke stap is geweest om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan, blijkt uit de praktijk dat er nog steeds situaties voorkomen waarin boeren en tuinders een zwakke positie hebben in contractonderhandelingen.
© LTO
Prijsafspraken soms pas achteraf
In bepaalde sectoren, zoals de frietaardappelsector, worden producten wel gecontracteerd, maar wordt de uiteindelijke prijs (voor een deel van het gecontracteerde deel) pas tijdens het seizoen of zelfs achteraf bepaald. Bij een eenzijdige bekendmaking achteraf hebben telers vaak geen reële onderhandelingspositie meer. LTO pleit ervoor dat, wanneer een prijs niet vooraf vastligt, de uiteindelijke prijs altijd tot stand moet komen via overleg met de teler of producentenorganisatie en niet eenzijdig door de afnemer kan worden vastgesteld.
Tussentijdse contractwijzigingen
Hoewel de richtlijn eenzijdige contractwijzigingen verbiedt, zien telers dat dit verbod soms wordt omzeild. Als voorbeeld werd de recente casus uit de aardappelsector genoemd, waarbij telers na de oogst werden gevraagd akkoord te gaan met strengere kwaliteitskortingen. LTO vindt dat de richtlijn nadrukkelijker moet vermelden dat contractwijzigingen niet onder druk of met dreiging van negatieve gevolgen mogen plaatsvinden en dat kwaliteitseisen niet achteraf kunnen worden aangescherpt nadat de oogst al heeft plaatsgevonden.
Productierisico's liggen nu vooral bij de boer
Door strengere regelgeving en het wegvallen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen nemen risico's in de teelt toe. Tegelijkertijd blijven afnemers vaak dezelfde cosmetische kwaliteitseisen hanteren, of worden deze zelfs aangescherpt wanneer het aanbod groot is. LTO vindt dat contracten meer aandacht moeten besteden aan het delen van risico's in de keten, bijvoorbeeld door flexibiliteit in kwaliteitsnormen of afspraken over hoe wordt omgegaan met teeltrisico's door extreme weersomstandigheden of veranderingen in middelenpakket.
Verschillen tussen lidstaten
Tot slot wees LTO op verschillen in de manier waarop lidstaten de richtlijn interpreteren en handhaven en pleit voor een harmonisatie in definities, implementatie en handhaving ter bevordering van het level-playing-field in de Europese interne markt.
Kennisniveau van de toezichthouder schiet tekort
LTO en POV contacteren ook dat bij de behandeling van klachten het bij de toezichthouder, in dit geval de ACM, vaak aan specifieke kennis van de landbouwmarkten ontbreekt. Bijvoorbeeld: in de praktijk stuurt de afnemer vaak een 'afrekening' naar de leverancier in plaats van dat de leverancier een rekening stuurt. Dit verhindert een snelle en adequate behandeling van klachten, en de uitspraak valt daardoor nogal eens in het voordeel uit van de grote afnemer. Dit terwijl de wetgeving bedoeld is om de kleine leverancier te beschermen tegen de macht van de grote afnemer.
Vervolg
De inbreng van LTO en POV is van belang omdat de Europese Commissie later in 2026 met een voorstel voor herziening van de wetgeving wil komen. De organisaties steunen de wetgeving, maar constateren dat er nog het nodige verbeterd kan worden om de effectiviteit te vergroten.
Bron: LTO